home » competitie » wedstrijdzaken » comm. v. beroep strafzaken

Beroep aantekenen

Uit Reglement tucht- en geschillenrechtspraak

Artikel 23: Beroep, Voorwaarden.

1a.   Met inachtneming van het bepaalde in A.14 kan van elke uitspraak van de SC in straf  of klachtzaken, door hetzij de gedaagde bij die zaak, hetzij degene die aangifte heeft gedaan, beroep worden ingesteld bij de CvB, binnen zeven werkdagen nadat hij daarvan kennis heeft genomen of redelijkerwijze kennis had kunnen nemen.

1b.   Met inachtneming van het vorenstaande is het mogelijk dat de aangesloten vereniging waarvan de appellant lid is, beroep aantekent, mits de appellant hiermee door medeondertekening van het beroepschrift of via afzonderlijk schrijven, heeft ingestemd.

1c.   Indien degene die aangifte heeft gedaan de scheidsrechter is, kan het beroep door de scheidsrechter slechts worden ingesteld indien hij meent dat de SC niet op goede gronden tot haar oordeel is gekomen.

1d.   Het beroep schorst de werking van de beslissing van de SC tenzij de SC bij de beslissing heeft bepaald dat een eventueel beroep geen schorsende werking heeft of dat dit anderszins voortvloeit uit het bepaalde bij A.17.

1e.   Een eenmaal ingesteld beroep kan niet meer worden ingetrokken indien en zodra degene waartegen een zaak aanhangig is gemaakt handelingen heeft gepleegd of heeft kunnen plegen die volgens de beslissing van de SC niet mogelijk zouden zijn geweest.

1f.    Tenzij de CvB anders beslist is bij twijfel over het tijdig inzenden van het beroepschrift de in het poststempel vermelde datum beslissend.

2.   Gelijktijdig met het instellen van het beroep wordt een waarborgsom verschuldigd, welke door de Bondsraad op voorstel van het bestuur, de SC en CvB gehoord, wordt vastgesteld. Deze waarborgsom van € 70,- wordt automatisch met het instellen van het beroep in debet gesteld bij de aangesloten vereniging waarvan appellant lid is. Indien appellant een aangesloten vereniging is wordt de waarborgsom automatisch bij deze in debet gesteld.

3.   Indien het beroep niet-ontvankelijk is in verband met vormfouten van een appellant, dan houdt de schorsende werking op en gaat de straf en proeftijd in op een door de CvB te bepalen datum.

4.   Wordt het beroepschrift niet ontvankelijk verklaard, of wordt de appellant volledig in het ongelijk gesteld, dan is de waarborgsom verbeurd. Restitutie vindt dus uitsluitend plaats bij volledige vrijspraak.

5.   Aan de in het ongelijk gestelde partij kan een tegemoetkoming in de kosten van de behandeling worden opgelegd. De waarborgsom wordt met deze tegemoetkoming verrekend.

6.   Het beroep dient schriftelijk aanhangig gemaakt te worden bij de CvB, per adres Bondsbureau. Het beroepschrift houdt in ieder geval in de bezwaren tegen de beslissing van de SC en dient zoveel mogelijk vergezeld te gaan van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Indien het beroepschrift naar het oordeel van de CvB niet op tijd bij het Bondsbureau is binnengekomen en het beroepschrift is niet op zodanige wijze verzonden, dat appellant het tijdig indienen kan bewijzen, is het beroepschrift van rechtswege niet ontvankelijk.

7a.   De voorzitter van de CvB kan, indien daarom bij het indienen van het beroep uitdrukkelijk wordt verzocht, een voorlopige voorziening treffen, of het besluit of de maatregel waartegen beroep is ingesteld schorsen indien het naar zijn oordeel in het algemeen belang is om daartoe over te gaan.

7b.   Een op grond van lid a genomen voorlopige voorziening of schorsing vervalt, indien de CvB ten aanzien van het ingestelde beroep uitspraak heeft gedaan.

7c.   Voor de behandeling en de verdere afwikkeling van een dergelijke zaak wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de wijze van werken bij andere zaken bij de CvB.

Artikel 24: Beroep, behandeling.

1.   Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het beroepschrift vraagt de CvB bij de SC alle op de zaak betrekking hebbende stukken op.

2.   De CvB stelt een nieuw onderzoek in.

3.   Een zaak wordt schriftelijk of mondeling behandeld.

4.   Schriftelijke behandeling vindt plaats indien de voorzitter van oordeel is dat er voldoende bescheiden zijn om tot een oordeel te komen en de appellant geen verzoek tot mondelinge behandeling heeft gedaan.

5.   Mondelinge behandeling vindt plaats:

a.  op verzoek van de appellant; een dergelijk verzoek dient te worden gedaan tegelijk met het indienen van het beroepschrift

b.  op last van de voorzitter.

6.   De voorzitter bepaalt zo spoedig mogelijk na ontvangst van het beroepschrift de dag van behandeling, indien niet wordt volstaan met een schriftelijk afdoening. De secretaris stelt de appellant en degene die de aangifte bij de SC had gedaan hiervan in kennis en zendt een afschrift naar de aangesloten vereniging waarvan de appellant lid is.

7.   Ter uitvoering van haar taak kan de CvB de medewerking vragen van alle KNBSB-instanties, aangesloten verenigingen en leden van die aangesloten verenigingen, die verplicht zijn die medewerking te verlenen, hieronder wordt ook begrepen het optreden als getuige.

8a.   Indien de appellant niet verschenen is, gaat de CvB na of hij behoorlijk is opgeroepen. Heeft geen behoorlijke oproeping plaatsgevonden of meent de CvB om een andere reden dat uitstel van behandeling wenselijk is, dan stelt zij de behandeling uit, waarvan de appellant schriftelijk in kennis wordt gesteld, terwijl de appellant vervolgens opnieuw zal worden opgeroepen.

b.   Indien een door de CvB belangrijk geachte getuige niet is verschenen kan de CvB bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal worden uitgesteld, in welk geval de appellant opnieuw zal worden opgeroepen.

 9.   De CvB kan getuigen oproepen. Deze zijn verplicht te verschijnen tenzij zij van de voorzitter van de CvB toestemming hebben verkregen op andere wijze een verklaring af te leggen.

10. Tijdens de mondelinge behandeling kan de appellant zich voor eigen rekening laten vergezellen door getuigen en zich doen bijstaan door een wettelijk vertegenwoordiger indien het een minderjarige appellant betreft, en door een raadgever. De raadgever zal in de gelegenheid worden gesteld het woord te voeren, nadat de appellant en eventuele getuigen zijn gehoord. De appellant mag niet de beantwoording van bepaalde vragen overlaten aan zijn raadgever, noch de beantwoording laten afhangen van zijn toestemming.

11. Gedurende de mondelinge behandeling van de zaak worden de appellant en zijn raadgever in kennis gesteld van de zakelijke inhoud van alle bescheiden, zienswijze en dergelijke, die op de zaak betrekking hebben tenzij naar het oordeel van de voorzitter gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Dit oordeel dient te worden gemotiveerd.

12. De CvB is vrij in het accepteren van bewijsmiddelen. Het toelaten van een middel tot bewijs is een beslissing, waarop in andere hiervan losstaande zaken geen beroep kan worden gedaan.

13. De appellant heeft het recht de voorzitter te verzoeken aan een getuige vragen te stellen met betrekking tot de zaak. Een dergelijk verzoek kan niet worden geweigerd.

14. De appellant behoeft niet te antwoorden op de aan hem gestelde vragen. Het staat de CvB vrij een dergelijke weigering uit te leggen zo zij wil.

15. Appellant zowel als getuigen worden alleen tijdens de mondelinge behandeling ondervraagd.

KNBSB NOC*NSF
Twitter YouTube Facebook