Museum
Het eerste Bondsmuseum in Nederland
![]() |
Stichting Nederlands Honkbal en Softbal Museum 85 jaar historie Nederlands Honkbal en Softbal te bezichtigen in het museum. |
||||||
|
Het Honkbal- en Softbal Museum is er. Op de enige juiste plaats: binnen de hekken van het Honkbalstadion in Haarlem. Dus precies daar waar regelmatig enthousiaste mensen komen. De KNBSB is hierdoor de eerste Bond in Nederland, die over een eigen Museum en een eigen Eregalerij beschikt. Deze Hall-of-Fame is de eerste in Europa, bijzonder knap ontworpen door Jan Smidt. Veel dank zijn we verschuldigd aan de Gemeente Haarlem en in het bijzonder aan Wethouder Piet Sikma, die vanaf het begin op het standpunt heeft gestaan, dat dit Museum in Haarlem als Honkbalstad moest komen. Een eigen gebouw zonder belangrijke eigen financiële inbreng was vanzelfsprekend onhaalbaar. Daarom zijn. we zelf met het voorstel gekomen om een multifunctionele ruimte te realiseren. Zo zijn we - precies op de plaats waar jaren de 'Groene Keet' heeft gestaan - in MultiBase onder dak 'inwonend' bij de Sportraad en de SGH, partners waarmee een prima samenwerking bestaat, evenals met de Dienst Sport- en jeugdzaken en Sportinitiatieven Haarlem. In MultiBase moest het geheel gestalte krijgen in een ruimte, wat beperkingen heeft opgelegd. Er moest een zekere keus gemaakt worden tussen artistiek verantwoord en veel informatie. Gekozen is voor veel informatie, waarbij geprobeerd is om de artisticiteit niet al teveel geweld aan te doen. De Eregalerij is permanent, maar de museale onderwerpen zijn geheel of gedeeltelijk wisselbaar, zodat per seizoen of belangrijk toernooi weer eens wat anders te zien zal zijn. Ook blijft de Museum werkgroep bereid om bij belangrijke gebeurtenissen in andere steden exposities te verzorgen. Het Museum en de Eregalerij is een van de vele initiatieven van Guus van der Heijden geweest. Ook daarom zijn we bijzonder verheugd, dat zijn Bond de eerste is, die de 'voortrekkersrol' - ons toegewezen door de NSF - heeft waar kunnen maken. Met nadruk willen we vast stellen, dat alles financieel rond kon komen door de vrijwel belangeloze steun van Jan de Wit Autocars, Voorwalt en Van Nikkelen Kuijper in Haarlem en de ABN Bank, die dit vooral hebben willen doen, omdat er pure amateurs aan werken. Daarom hebben ook Dik Bruynesteyn en bekende fotografen zonder enig voorbehoud hun medewerking gegeven. Krug Kerrebijn noemen we even apart. Bij deze firma heeft de werkgroep van het Museum gratis een werk- en bergruimte ter beschikking gekregen. Het is niet te doen alle mensen te noemen die in de loop der jaren spullen hebben gegeven, maar zonder hen was er vanzelfsprekend geen Museum geweest. Ook de 'Vrienden van het Museum' met hun jaarlijkse financiële bijdragen blijven we bijzonder dankbaar. Dit boekje 'Ergens in Holland' is een rondwandeling door het Museum en tevens door de historie van ons honkbal en softbal. Tijdens uw bezoek nuttig en als u het thuis of op de tribune nog eens doorleest, zult u misschien zeggen: 'Ik ga toch nog eens terug om bepaalde dingen nader te bekijken.' U bent dan weer van harte welkom! Ergens in Holland Ergens in Holland werd er al in 1908 honkbal gespeeld. Door heren en dames samen! Enkele jaren voordat de bond werd opgericht en ook voordat op het IJsclubterrein in Amsterdam in 1911 de feitelijke bakermat van het Nederlandse honkbal werd gelegd. Het Honkbal- en Softbal Museum toont u de foto van dat vroege moment van gemengd honkbal uit 1908. Dit boekje, samengesteld door oud-international en oud-honkbal journalist Ge Hoogenbos, geldt als een richtingaanwijzer bij uw wandeling door het Honkbal- en Softbal Museum in 'MultiBase' in Haarlem. Wij wensen u genoeglijke uurtjes in ons museum toe. Het IJsclub-terrein in Amsterdam is de bakermat van ons honkbal. Daar werd in 1911 al gespeeld. Vanzelfsprekend is dat de eerste plaat in het Honkbal- en Softbal Museum. Ook al omdat later die plek - heel fijngevoelig - Museumplein is gedoopt. Opeens duikt er echter een pracht prent op uit 1908. 'Ergens in Holland' blijkt er al eerder honkbal gespeeld te zijn: een wedstrijd van heren en. . . dames met van die heel kuise, de vloer vegende rokken. Een gemengde sport dus! In 1908. Wie kikte in 1980 over emancipatie~ Een softbalvrouw? Nee toch! In Haarlem ongeveer eenzelfde beeld. In 1923 is er een honkbaldemonstratie waar ene Kuling als ongeveer enige toeschouwer een kijkje gaat nemen. Enige maanden later richt hij de HC Haarlem op. De eerste opvoering van de nieuwe zomersport heeft menjaren gedacht. Vergeet het maar. 'De eerste klap in Schoten' striemde al van het slaghout in. . . 1912. Ongeveer daar waar - hoe juist gekozen - het huidige softbalveld van HHC ligt. In zijn historische studie over het latere Haarlem-Noord heeft de toevallig ook honkbalenthousiaste Wieringa de prent afgedrukt. Toch houden wij de al jarenlang geldende historie in ere: het IJsclub.terrein is de hoofdstedelijke startplaats en de Kleverlaan de bakermat in Haarlem. De man die ons honkbal maakte Een roemruchte geschiedenis wordt door prominenten geschreven. Een regel van de tekst uit de door Jan Smidt ontworpen Eregalerij. Een van die prominenten was Grasé, die eerst in Amerika honkbal voor de Hollanders ontdekte en daarna op 12 maart 1912 de Nederlandse Honkbalbond stichtte. De meest prominente in deze eerste Hall-of-Fame in Europa is echter ongetwijfeld Ernst Bleesing, de man die ons honkbal maakte. Speler, scheidsrechter, teambegeleider, bestuurder, organisator, initiatiefnemer op velerlei gebied en bovenal doorzetter, die in zichzelf en zijn sport geloofde. 'Zonder Bleesing,' zei zijn vriend M.C. Bakker, 'zou er in ons land geen honkbal geweest zijn.' zijn grootste probleem is de competitie geweest. Tien jaar lang. Clubs kwamen en verdwenen in die begintijd en alleen zijn eigen AHC Quick doorstond de kinderziekten goed. In 1921 was er dan ook nog altijd geen sprake van een echte competitie. Er waren nog maar twee clubs. Dat jaar deed Bleesing een gouden greep. Twee leden van Quick werden door hem naar hun voetbalclubs gestuurd om daar een honkbalafdeling op te richten: Wim Drilling naar Blauw Wit en Daan Roodenburgh naar Ajax, voetbalclubs van grote naam dus. Deze apostelen deden hun werk met succes en zo kon een competitie van vier clubs vlot van start gaan. Heel elegant van de concurrentie werd Quick in 1922 de eerste Kampioen van Nederland en Blauw Wit en Ajax in de volgende twee jaren. Ook Haarlem De basis was gelegd. Vooral toen Kuling in dezelfde tijd de HC Haarlem oprichtte, waardoor twee steden in het honkbalgewoel terechtkwamen. Zes jaar later in 1929 volgde HHC als specifieke honkbalclub. Er is zelfs een plaat van 1928, want in dat jaar speelden de HHC-ers-in-spe al wat voor hun plezier. Toen ze echter in 1929 als hobbyisten aan de Zilveren Bal van HC Haarlem wilden meedoen, zei Kuling: 'Eerst aansluiten bij de Bond. Zo werd HHC min of meer gedwongen een echte club te worden. Beide oudste Haarlemse verenigingen zgn overigens in 1976 samen verder gegaan onder de naam Sparks. Kuling was ongetwijfeld een man met visie. Het straathonkbaltoernooi is daarvan een bewijs. Deze jaarlijkse jeugdhappening was heel wat seizoenen bijzonder in trek en om straatkampioen van Haarlem te worden, was een hele eer. Het toernooi van HC Haarlem heeft heel wat spelers van formaat opgeleverd: Roel de Mon, Kees Koning, Jan Scheurman, Henk Keulemans om er maar een paar te noemen. Het voorbeeld van Ajax en Blauw Wit vond speciaal in de jaren dertig navolging in de Spaarnestad. 'Honkbal werd de ideale zomersport voor voetballers', want EDO, RCH, Schoten en TYBB werden in die tijd opgericht. In het begin van de oorlog gingen ook PSV in Eindhoven en Sparta en Neptunus in Rotterdam honkballen. Internationale contacten Internationaal was er al in de twintiger jaren contact. Amper had een Amerikaan marineschip zijn ankers in een van onze havens uitgegooid, of Bleesing stapte aan boord- Na even onderhandelen konden bondsteams tegen de Yankees van de Pittsburgh of de Detroit spelen: de Amerikanen meestal Arnerikaans gekleed, de Hollanders soms in de wonderlijkste combinaties. Tegen de Pittsburgh gebruikte men het oude RCH-terrein aan de Middenweg in Haarlem-Noord en merkwaardig genoeg was de eerste officiële interlandwedstrijd ook bij RCH, maar wel in Heemstede waarheen de Racing Club Haarlem inmiddels verhuisd was. Op 26 augustus won Holland met 21-12 van België om vier weken later in Antwerpen met 19-17 deemoedig het Oranje-hoofd te buigen- Op een runnetje werd in die dagen niet gekeken. 'Als je zes punten achter kwam,' aldus catcher Jan Baas, 'dan timmerde je dat de volgende inning toch weer even bij.' Twee heel aparte teamfotootjes van die eerste interland uit 1934 kreeg Jan Baas gestuurd van de Oranjeman Co Mol, die later naar de Verenigde Staten was geëmigreerd. Hoewel Jan Baas met hem in HHC gespeeld had, moest hij toch even nadenken van wie het afkomstig was- Mol had - zo luidt het verhaal - op verzoek van zijn Amerikaanse werkgever zijn achternaam in Vandermolen veranderd. ‘Taai ongerief'
Zendelingen Kampioen van Nederland De brede visie van Bleesing bleek ook weer in 1939. Onder de naam Salt Lake City speelden het jaar daarvoor Mormoonse dominees vriendschappelijke partijtjes. Ze konden er wel wat van. Bleesing maakte, dat deze zendelingen in het nieuwe seizoen onmiddellijk in de hoogste klas van de vaderlandse competitie werden geplaatst. De Seagulls - hun nieuwe naam - werden prompt landskampioen en alleen voor Blauw Wit 7-1 en HHC 6-2 moesten de Amerikanen Opzij. Hun thuiswedstrijden op het legendarische IJsclub-terrein en de uitwedstrijden in Amsterdam en Haarlem trokken veel belangstelling. De kreten 'Shuppy' - hun korte stop - en 'come on, baby boy' waren niet van de lucht en werden door onze honkballers overgenomen. Het hele optreden van de Seagulls was een brok propaganda, hoewel er tegen het, Amerikaanse geblèr' hier en daar wat bezwaren aangetekend werden. Dit gebeurde later ook bij de start van ons softbal, alleen werd, Amerikaans geblèr' – brief uit HHC-archief - toen 'luidruchtig honkbalgedoe' genoemd. Ja, honkbal was duidelijk op weg een volkssport te worden; de zgn.- betere kringen spraken in die dagen van 'slagerscricket'. Bleesing trok er zich weinig van aan. Zijn sport ging vooruit en de directeur van de bekende Boldoot-fabriek kwam bij iedere club kijken of. . . bracht op verzoek 'zijn handel' mee. Vrijwel geen sportzaak zag brood in de import van honkbal-attributen uit dat verre Amerika. Geen probleem, Bleesing liet het zelf komen en zonder winstbejag stond hij voor iedereen klaar. Je kon kiezen: een handschoen voor f 3,50 of f 4,50. Honkbal in oorlogtijd Tijdens de oorlog is er - in tegenstelling tot België - heel lang, tot 20 augustus - zelfs, doorgespeeld. Wel werd de toch al niet rooskleurige materiaalpositie van de clubs steeds nijpen- der en kwam de beruchte Vredesteinbal als surrogaatknikker op de velden. In oorlogstijd zeker een mooie naam en ook heel welwillend van de bandenfabriek om in het ballengat van de honkbalmarkt te willen springen. Die krengen waren echter lood- en loodzwaar en - gemaakt van geperste kurk - sprongen ze na een klap soms in twee stukken. Ook hadden ze geen naad om curve te kunnen gooien. De Vindingrijke Wim Geestman zag zich daardoor van zijn voornaamste wapen beroofd en sneed er daarom een stukje uit om zijn Vinger in de keep te kunnen leggen. Deze honkbal- en basketbalinternational vocht in 1943 in het Ajax-stadion een geweldig pitchersduel uit met de honkbal- en voetbalinternational Cor Wilders. Deze beslissingswedstrijd om het landskampioenschap moest bij 0-0 verlengd worden en pas in de elfde inning kon door de enige run van Wilders bij Blauw Wit voor de zesde maal de vlag hoog in de top. Terecht betrok de VVGA-er Besanger in een brief de 'Hooggeachte Heer Bleesing' in de feestvreugde: 'Het was een mooie dag voor de teams van Blauw Wit en Ajax, het was een mooie dag voor onzen Bond, maar vooral was het de bekroning voor Uw jarenlange onvermoeide en opofferende propaganda voor ons spel.' Een terechte lofrijzing voor Bleesing, die twee van zijn beste spelers wegstuurde in het algemeen honkbalbelang. Iets om zelfs in deze tijd over na te denken. Bevrijding De Bevrijding komt en de Canadezen. In het Zuiden speelt al op 8 oktober1944 PSV een wedstrijd tegen de Royal Canadian Air Force, die voor Nederlandse begrippen ook nog wat anders konden dan vliegen. Het Westen moest nog meer dan een halfjaar geduld hebben. Dan zijn ook in dat deel van Nederland Canadezen en Amerikanen dadelijk bereid om tegen bondsteams - soms inclusief bijvoeding na de barre hongerwinter - te spelen. In de oorlog was er weinig vertier en bij Ajax en EDO bevolkten duizenden toeschouwers de tribunes; het Noordersportpark en de bijvelden van het Olympisch Stadion werden wekelijks omzoomd door hagen publiek. De geboden sport was zeker het aankijken waard. Daar stonden Haarlem, Ajax, Schoten, Blauw Wit, VVGA en HHC borg voor. Tweemaal H en eenmaal C, de club met de rode rechter- en de witte linkerkous; voor, en nadien op geen veld ter wereld nog ooit gezien. In de Verenigde Staten dringt inmiddels door, dat ook in Holland baseball wordt gespeeld. Goed, het heet honkbal, maar dat Vinden de Amerikanen zelf juist heel mooi. De wijziging in baseball hebben ze later altijd jammer gevonden. Een traditie dient in ere te worden gehouden. 'Marshall-hulp' ook voor honkballers Dat er gebrek aan materiaal is, wordt ook al rap bekend en Norman McPhail zet de 'Marshall-hulp' voor honkballers op de rails. De gulle Amerikanen sturen een schip met van alles wat nodig is over de oceaan naar Holland en ambassadeur Baruch overhandigt voor de Stedenwedstrijd Haarlem - Amsterdam - generaties lang de Zomerklassieker - in1948 de zending door de eerste bal naar catcher Joop Geurts van Haarlem te gooien. Het leidt tot een bijna klassiek drama. Geurts neemt overgelukkig zijn bal mee naar huis. Na een paar maanden moet hij hem inleveren, want het bondsbestuur Vindt dat die bal van de Bond is. Geurts doet het niet, wordt geschorst en het wordt een heel lang punt op de Algemene Ledenvergadering. Het Bestuur blijft bij zijn standpunt en eist van Geurts, dat hij de bal staande de vergadering inlevert. Geurts komt naar voren en zegt: 'U kunt kiezen.' Een tweede bal heeft hij namelijk door Baruch op de ambassade in Den Haag laten tekenen. De McPhail zending is nog jaren op onze honkbalvelden te bewonderen geweest Het vorstelijke geschenk bestond niet alleen uit knuppels en ballen, maar ook uit complete sets kleurige honkbalpakken. Deze werden in de eerste plaats bestemd voor de 'visitekaartjes' van de Bond, dus de hoog spelende clubs. OVVO begon in knalrode pakken in 1949 aan een ware triomftocht, ook de grootste concurrent HHC droeg die kleur en schafte de unieke rode en witte kous maar af; Schoten verscheen clubgekleurd in het kanariegeel en Blauw Wit was uitgedost in prachtige blauwe pakken. Naast het Blauw Wit toernooi voor de hoogst spelende clubs organiseert Haarlem al jaren zijn Zilveren Bal voor de iets beneden de top draaiende verenigingen. De Amsterdamse gymnast Dick van Rijn - later met de microfoon vergroeid, waardoor hij in 't Gooi terechtkwam - zet op Hemelvaartsdag in Hilversum het toernooi om de Zilveren Handschoen op poten; veel eersteklassers gaan daar graag heen en het is uitstekende reclame voor het radiogewest. Het hoofd stedelijke ABC trekt veel publiek met het 'Bevrijdingstournooi'. Goed spel en gezellige sfeer op het Schinkelsportpark. Balink in actie In 1951 dwaalt toevallig Albert Balink in Hilversum rond en de tot Amerikaan geneutraliseerde Nederlander is stom verbaasd, dat bier gehonkbald wordt Onmiddellijk komt hij in actie. 'Ik ben niet rijk, maar ik wil wel helpen,' zegt deze sympathieke weldoener. Door zgn. relaties met de Holland-Amerika Lijn kan Han Urbanus al in het voorjaar van 1952 naar een andere 'relatie' van Balink: de Major League club de New York Giants. Een jaar later in het kader van de Watersnoodramp nog eens. In 1954 is de beurt aan de andere toppitcher Jan Smidt Door lezingen verbreiden ze hun kennis in ons land. Met een schip van de H.A.L. en de steun van de Giants -opgefleurd door filmster Jane Wyatt - zorgt Balink ook voor een lading materiaal. Als goed journalist schakelt hij in 1953 de pers in en kiezen de honkbaljournalisten de Beste Pitcher, de Beste Hitter en de Allround - later Meest Waardevolle Speler, die de eerste gouden Balink-medailles krijgen. Na Rome en Milwaukee Door de kontakten met Amerikanen is er langzamerhand bij enige mensen iets gaan schemeren; honkbal vraagt een andere opzet dan voetbal. Nadat Oranje in 1956 naar Rome is getreind en door het veroveren van de eerste Europese titel een trip naar de Global World Series in Milwaukee verdient, wordt daar wel heel duidelijk, dat we technisch en tactisch nog in de kinderschoenen staan. Het is een bijzonder leerzame trip. Zo moet allereerst de competitieopzet gewijzigd worden. Door een wedstrijd in de week kan een toppitcher doorslaggevend zijn. Han Urbanus heeft het juist bewezen, want zijn club OVVO vestigt van 1949-1953 een record met vijf landstitels op rij. De titanenstrijd tussen OVVO en HHC met de pitchersduels tussen Urbanus en Smidt trekken in die jaren duizenden toeschouwers. Zoals een generatie daarna Haarlem Nicols-Sparta meer dan tien jaar het spektakelstuk zal zijn. Dan worden er echter dubbelwedstrijden gespeeld en moet een team over meer pitchers beschikken. In die jaren verdwijnt Amsterdam geheel uit het beeld, want pas 24 jaar na de zesde titel van OVVO in 1955 zorgde de afsplitsingsclub van de Kruislaanbewoners, Amstel Tigers, met Charles Urbanus - zoon van Han – als grote troef, pas weer dat de hoofdstad een kampioen binnen de muren krijgt. Thuishaven der Spartanen De eerste kampioen buiten de aloude bastions Haarlem en Amsterdam is Sparta. Het dreigde door de geweldige slagkracht van het roemruchte Antilliaanse trio Hamilton Richardson, Simon Arrindell en Hudson John een langdurige een teamsshow van de Rotterdammers te worden. Vooral omdat in Haarlem met vier van de acht topclubs de krachten danig versnipperd waren. De pionier van het Haarlemse honkbal Kuling sprak er op 73 jarige leeftijd al zijn verwondering over uit, waarom men de krachten niet bundelde. De Nicols: eerste Europa Cup en record aantal titels
De Lichtstad Een bepaald niet onbescheiden rol heeft Eindhoven in de honkbalontwikkeling gespeeld. Na het geweldige succes van het eerste Europese Kampioenschap op Nederlandse bodem in 1958 werd het honkbalveld aan de Kruislaan in Amsterdam weer afgebroken. De grote man in Brabant Jan Sibille wist met de nieuwe bondsvoorzitter Wout Posthuma, Philips-leider Ir. Otten warm te krijgen voor het eerste permanente honkbalveld (1959) in ons land; een jaar later deed deze honkbalmecenas met tien mille nog een duit in het bondszakje, zodat de eerste Amerikaanse coach kon worden aangetrokken: Ron Fraser. Zijn opvolger Bill Arce organiseerde in 1963 het eerste leerzame jeugdkamp en ook dat was weer in de Lichtstad. Het Honkbalstadion: een Monument Haarlem volgde het voorbeeld, legde eerst een honkbalveld aan en bouwde na het succes van de eerste Honkbalweek in 1961 tweejaar later zelfs een Honkbalstadion, wat een Monument in onze sportwereld genoemd kan worden. Het werd het grote centrum en bezorgde Haarlem de naam Honkbalstad, dat door de wereldwijd bekend geworden Honkbalweek nog steeds onderstreept wordt. Sedert 1985 heeft de ambitieuze zakenstad Rotterdam het belang van een internationaal honkbaltoernooi begrepen en onder de stuwende leiding van Gerard Vaandrager is het havenstedentoernooi snel tot een 'nieuwe traditie' uitgegroeid. Leo van der Kar Bijzonder veel steun heeft de Bond altijd van Amerikaanse zijde gekregen. Toch moet ook een Nederlander niet vergeten worden: Leo van der Kar. Van het door hem ingestelde Sportfonds hebben ook heel wat honkballers geprofiteerd, direct in de beginjaren al gingen Beidschat naar de Pittsburgh Pirates, Wim Crouwel naar Chicago White Sox, Boudewijn Maat naar de Los Angeles Dodgers en Ben de Brouwer naar de New York Yankees.De mediaOns honkbal heeft zich jarenlang mogen verheugen in een serie journalisten, die behalve als verslaggever zich dikwijls ook op andere wijze bij honkbal betrokken hebben gevoeld. De beginregels werden geleverd door Frflgte, Bremer en Notebaard. Later kwamen daar Ben Muller, Wim Hamel, Theo Vleeshhouwer, Cor Jonker, Joop Köhler, Hans de Bie, Guus van der Heijden, Henk Knol, Hans Doeleman, Johan Carbo, Ad Brevet en ik zelf bij. Ook radioreporters aIs Dick van Rijn en Bob Spaak, die - opgevolgd door Henk Bouman - voor E.K. en Honkbalweek stimulerende namen waren. Het indringende medium televisie werd steeds belangrijker en Theo Reitsma, Mart Smeets, Jan Stekelenburg, Hugo Walker en regisseurs Martijn Lindenberg en Paul Röhmer hebben op dikwijls verbluffend eenvoudige wijze het lastige honkbal in de huiskamer weten te brengen. Overigens de eerste televisiesportuitzending ter wereld was op 17 mei1939 op Baker Field, New York, waar de honkbalwedstrijd tussen de universiteiten van Columbia en Princeton werd uitgezonden. Meer dan achttien jaar later werden beelden van het duel tussen Nederland en de Sabres van Soesterberg, gespeeld bij UVV in Utrecht, voor het eerst in ons land op de TV gebracht. Dat was op 4 juli 1957. Een jaar daarna heeft de honkbalsport een ware zegetocht beleefd in de huiskamers met de uitzendingen van wedstrijden tijdens het eerste E.K. in Amsterdam. 'Uit is uit' De scheidsrechters zijn in de honkbal- en softbalwereld toch wel een aparte groep. Van de mannen in het blauw - zoals ze in de States genoemd worden - is Piet Schijvenaar de meest kleurrijke geweest Evert van Tuyl leidde de meeste wedstrijden tot op hoge leeftijd. Schijvenaar was de man, die struikelend tussen catcher en honkloper dook en toch prompt zijn beslissing gaf. Op de vraag van catcher Geurts, of hij het wel zeker wist, luidde zijn antwoord: 'Ik ben er nog nooit zo dicht bij geweest!' In een ander duel werd Schijvenaar gevraagd, waarom hij de honkloper uit gaf. Resoluut sprak hij de gedenkwaardige woorden: 'Uit is uit, omdat ik zeg dat ie uit is'. De scheidsrechters zijn in Amerika een geïsoleerde groep, die zelden in de belangstelling staan en van de tribunes hoogstens 'Boe' horen. Casey at the bat De honkballer, dat is de held, vooral als het een groot hitter is. Het meest beroemde sportgedicht in de States gaat dan ook over een dergelijke geweldenaar met de knuppel. 'Casey at the bat' werd precies honderd jaar geleden door Ernest L. Thayer gecomponeerd en is sindsdien in Amerika het meest voorgedragen gedicht geworden. Het schitterende verhaal heeft dan ook een plaats gekregen in het National Baseball Museum in Cooperstown en heeft dus ook zeker recht op een plaats in het eerste Honkbal-Museum in Europa: de originele tekst uit 1888 en een vrije vertaling uit 1988. Bij zijn bezoek aan de Verenigde Staten vond Dik Bruynesteyn het gedicht het mooiste wat hij ooit op dit gebied gelezen had en hij heeft het geheel op de hem eigen wijze opgesierd. Spontaan en belangeloos zoals Dik ook op andere plaatsen tussen de vele historische zwart-wit foto's meer kleur aan het geheel heeft gegeven. Zomersport gezocht Jules Kammeijer is bijna de uitvinder van softbal geweest, voor zijn sportschool Gymnasion zocht hij een zomersport. Honkbal vond hij voor recreatiesporters te moeilijk en gevaarlijk. Daarom bedacht hij een variatie. Een handschoenenfabriek leverde hem een zachtere en grotere bal, een timmerfabriek wat kleinere en lichtere knuppels en een zeilmakerij kussens en een werp- en een thuisplaat van. . . linoleum, want het was oorlog. Omdat er teveel 'wijd' werd gegooid, liet Jules onderhands gooien en werden de afstanden aangepast Zijn school telde zelfs tien teams, die onderling gezellig speelden. Voor belangrijke honkbalwedstrijden werden zelfs wel demonstraties gegeven. Zijn illusie van 'uitvinder' werd na de Bevrijding wreed verstoord. Op het EDO-terrein zag Kammeijer Canadezen softball spelen en dat bleek ongeveer dezelfde sport, die hij ontwikkeld had. Jules is toch doorgegaan en werd later de eerste voorzitter van de Nederlandse Dames Softbalbond. Dameshonkbal
HHC uniek Er is wat dit betreft een enigszins verwarrend document, dat HHC kreeg op 24 april 1952. Het is een diploma, waarop wordt verklaard, dat HHC eerste werd in het seizoen. . .1951, dus voor de officiële Bond op 15 december 1951 werd opgericht Een kampioenscertificaat met terugwerkende kracht dus. Datzelfde HHC werd in de volgende zeven wel officiële jaren1iefst zes keer Kampioen van Nederland met speelsters als Emmy Hofstra, Tineke Andrea, Renee de Haas, Els ter Meulen, Gerda Cammenga en niet te vergeten Mien en Hannie Berendonk, zusters die ook op het bestuurlijke vlak vrouwen van het eerste uur waren. Al zijn Gymnasion en HCK voor het ontluikende softbal van belang geweest, als men de hele bondsrit tot heden bekijkt is HHC absoluut uniek. Het is in de Honkbal. en Softbalbond de enige club, die onafgebroken in de hoogste afdeling heeft gespeeld. Vrouw als coach Vanaf de jaren zestig wordt Janke Nijdam van steeds groter belang voor HHC. Ook Saskia de Jong verzet bergen werk. Nadat altijd mannen vrouwencoaches zijn geweest, is HHC de eerste topclub die een vrouw als coach heeft: Paula van der Mark. Het publiek Vindt dat - al wel in 1970 - maar raar en roept: He, moet jij niet meedoen, Je hebt toch ook een pak aan.' Internationaal wordt er de eerste tien jaren al regelmatig tegen Amerikaanse teams uit West-Duitsland gespeeld. Op 29 mei 1960 is zelfs de eerste officieel geregistreerde interland tegen Italië. In Haarlem bij EDO wint Oranje met 4'3. Sterren stralen Heeft men van de min of meer sterke legerteams wel eens iets kunnen opsteken en misschien zelfs wel eens kunnen vaststellen, dat softbal toch wel op belangrijke punten een andere sport is dan honkbal, waaruit vrijwel alle trainers en coaches voortkomen, het echte verschil wordt in 1965 gedemonstreerd. Het beste team ter wereld, de Raybestos Brakettes, doet op een wereldtoer ook Holland aan en dan ziet men pas wat softbal is. vooral het pitchen. De grote ster Bertha Tickey - reeds oma - geeft een voorstelling, waar men eenvoudig stil van wordt. Naar een Nieuwe 'Softbal' Wereld Twee jaar later speelt Willem de Ruiter het klaar om een trip naar een Nieuwe , Softbal'W ereld voor onze dames te arrangeren. In Stratford, Connecticut, de thuisplaats van de Raybestos, mag Oranje zelfs aan het officiële Amerikaanse kampioenschap als gastland meedoen. Defensief wordt zeker knap gespeeld en de Hollandse meisjes zijn de lievelingen van het publiek. Het belangrijkste zijn echter de softballessen geweest, die altijd bereidwillige Amerikaanse topcoaches als Ralph Raymond ieder vrij ogenblik wel wilde geven. Eerste WK in Stratford Van de verworven kennis heeft men in ons land niet alleen geprofiteerd, de Amerikaanse trip betekende het begin van een nieuw tijdperk. Dat werd vergemakkelijkt, doordat er langzamerhand meer geld voor nationale teams ter beschikking kwam. In 1967 hadden de dames nog een flinke duit uit eigen zak moeten dokken. Het softbal in Nederland is nadien in ieder geval met sprongen vooruit gegaan. Dat bleek zeven jaar later, toen men weer naar Stratford reisde, ditmaal om voor het eerst aan het Wereldkampioenschap mee te doen. Met Nol Houtkamp als coach - hij zou 15jaar in functie blijven - behaalde Oranje in een toernooi met vijftien landen een eervolle, met Taiwan gedeelde, vijfde plaats. Onze man in de Europese Softbal Federatie, Theo Vleeshhouwer, is het geweest, die het softbal in Europa zo goed mogelijk van de grond heeft trachten te krijgen door het instellen van toernooien om het Europees Kampioenschap voor landen en de Europa Cup voor clubs. Softbalweek Sportief gezien zijn het kopieën van honkbal: ook de Nederlandse en Italiaanse softbalsters staan op eenzame hoogte. Voor het publiek is de Softbalweek met Amerikaane en Aziatische teams dan ook interessanter. Hierbij was Vleeshhouwer met de Honkbalweek als voorbeeld eveneens de stuwende kracht De grootste sprong voorwaarts is ongetwijfeld met de pitchers gemaakt Ineke van der Veldt was bespeelbaar en dankte haar voortreffelijke resultaten - in 1967 in Amerika al aan haar mentaliteit Daarvan heeft ook haar club DSS – met zeven landstitels - profijt kunnen trekken. Pitchers gaan overheersen Marianne van Ginhoven was een van de eerste, die zich met veel wilskracht op de Amerikaanse wijze van werpen ging toeleggen- Met Ineke - inmiddels Mulder - Van der Veldt steekt zij verschillende seizoenen boven de toch ook vooruitgaande concurrentie uit Vanaf 1978 zijn de pitchers steeds meer gaan overheersen- Fredy van Offeren en Els Koks worden de nieuwe sterren aan het softbalfirmament en zijn dikwijls vrijwel onbespeelbaar. Record: zes titels op rij Vooral Terrasvogels profiteert ervan. Els Koks leidt deze club naar een record van zes kampioenschappen op - en ook bij de Europa Cup - voor het eerst gewonnen in 1978 is Terrasvogels de belangrijkste vertegenwoordiger. In dat jaar 1978 bestaat Terrasvogels precies 20 jaar. Dat het bij de oprichting niet zo eenvoudig was als in latere jaren, toen de softbalsters de halve wereld afreisden, vertelt de man van de start Cees Goedhart: 'De gemeente steunde ons met f 200,-. Ik ging naar Martin Jole, die in West-Duitsland materiaal uit Amerikaanse dumps haalde en verkocht Voor honderd gulden kreeg ik acht handschoenen. Dus konden we beginnen.' Met steeds toenemend succes. Vooral door de grote inzet van coach Teun van den Berg werden zijn Birds een hecht team. Ook zijn dochter Renee droeg een flink steentje bij, ook in het Nederlands team, want zij heeft een record aantal officiële interlands op haar naam. Ongeveer 20 jaar aan de top Bovenal moeten we echter Ludy van Mourik noemen. Met Betty Veenstra - van Pinguins, later HHC - is zij een van de allerbeste op onze softbalvelden geweest. Volgens de gegevens van bondsarchivaris Kees Leseman speelden zij 19 a 20 jaar aan de top. Wel noteerden beide uitblinksters 'maar' 65 officiële interlands. Daarnaast verdedigden Betty en Ludy de Oranje-kleuren evenwel zo dikwijls tegen sterke Amerikaanse teams, dat hun totaal aantal internationale duels ongeveer op 14° komt |
|||||||












